Advertisement
Published: January 6th 2009Asia » ChinaJanuary 6th 2009
Oren, ogen en een mond. Meer heb je eigenlijk niet nodig om te reizen. Reisgidsen? Ze staan vol met fouten en dankzij de Lonely Planet praat iedereen elkaar maar na. Ik schreef het al eens eerder, maar de beste tips krijg je van locals. Of van een ei als
Christina. Ze noemt zichzelf un oeuf. Wit van buiten, geel van binnen. En daardoor een kenner van China, dat ze als journaliste/fotografe en reisgids talloze keren doorkruiste. Een
aantal van haar mooiste foto's maakte ze in noord-Sichuan, in het noord-westen van China, en ze stond er op dat ik daar ook heen zou gaan.
Het enige wat ik van Sichuan wist was dat er in Purmerend een restaurant zit dat gespecialiseerd is in deze keuken. Een jeugdvriend, Anil, had er eens gegeten en zei altijd dat het zo ontzettend lekker was. Ik moest altijd aan die woorden denken als ik naar de tandarts moest, die om de hoek zat. Een stap heb ik nooit in het restaurant gezet.
Dat hij niet loog bleek toen ik aankwam in Chengdu, de hoofdstad van de provincie. Na 16 uur in de (nacht)trein bleek Chengdu een bijzonder fijne, relaxte stad
van een paar miljoen inwoners. Het guesthouse,
Sim's Cozy Garden Hostel , bleek het beste hostel ooit. Sorry Mama, maar tegen Sim's kan geen enkel guesthouse op. Niet alleen Sim, zijn vrouw Maki en hun twee allerschattigste kinderen Lancy en Chelsea waren ubervriendelijk, ook de rest van het personeel. 'A home away from home' was nooit meer waar dan hier. Het was moeilijk om dit warme nest te verlaten om naar Songpan af te reizen, waar ik besloot om een driedaagse trek te gaan doen door de bergen.
Op een paard.
Ik herhaal: op een paard.
De enige andere keer dat ik op een paard heb gezeten, was ik een jaar of 7. In Duitsland. Die keer dat ik er na een meter of 5 vanaf werd gegooid omdat dat kutbeest opeens begon te rennen. Die keer dat mijn vader door zo'n andere stinkknol in zijn hand werd gebeten. Het kon haast geen toeval zijn dat het Duitse paarden waren. Duitse paarden met mensenkennis.
Vanaf dat moment heb ik paarden altijd gemeden. Er met een grote boog omheen gelopen, en er zeker niet op gezeten. De enige keren dat ik in de buurt van een
paard kwam was bij de slager, wanneer de paardenlapjes in de vitrine lagen.
En nu ging ik drie dagen op een paard zitten. Om door de bergen te rijden. U begrijpt, ik moest even slikken toen ik mezelf tegen de mensen van Sim's hoorde zeggen dat ik het ging doen. In mijn hart vervloekte ik mezelf dat ik Christina geloofde. Dat ze me die prachtige foto's had laten zien die ze daar gemaakt had, en dat ze me op het hart had gedrukt om er heen te gaan. Met trillende hand leg ik negenhonderd yuan neer en zeg ik dat ik gek ben dat ik dit voor mijn plezier ga doen.
Een uurtje of 7 a 8 zou het duren om in Songpan, startpunt voor de trekking, te geraken. 11 uur later komt mijn bus aan. In eerste instantie zien we tal van verwoeste huizen en tentenkampen langs de weg, als getuigen van de aardbeving die eerder in het jaar plaatsvond. De laatste paar uur rijden we door prachtige berglandschappen. De lucht is blauwer dan waar ik ooit geweest ben en contrasteert mooi met de rode, wapperende Chinese vlaggen die op de schaarse gebouwen staan. Het landschap ruig,
dor, droog. Hier en daar is een groot overheidsgebouw de grond uit gestampt.
Songpan blijkt niet veel meer dan een grote, lange straat te zijn met een paar zijstraten. Het is er waterkoud, al is de zon fel. Mijn hoofd doet pijn vanwege de hoogte. Mijn slapen bonken, ik ben dorstig en duizelig tegelijk. Het guesthouse, dat bij de prijs zit inbegrepen, zit vlak naast het busstation. Er is geen electriciteit, al vier dagen niet aldus de beheerster. De rivier is bevroren. Zodoende eet ik bij kaarslicht in het nabijgelegen restaurantje, waar de kok zonder electriciteit een prima maaltijd weet te maken.
Thermosokken, handschoenen en een muts worden aangeschaft, en ik loop zodoende ingepakt en wel wat door het dorp. Veel is er niet te doen. Er is een stadswal, die plotseling ophoudt, en een tot moskee omgebouwde taoistische tempel. Sowieso opvallend veel moslims hier. En paarden.
Na een koude nacht met kleren aan en onder twee dekens is het tijd voor vertrek. Eenmaal buiten staan er drie paarden klaar, en een koddig mannetje met hoedje. 'Mar', zo wordt hij voorgesteld door een man die ook bij het guesthouse hoort. Ik doop hem uiteraard Marr. 'Hij spreekt
geen Engels, maar hij is de beste gids die er is' wordt me verzekerd. Hij lacht vriendelijk naar me en neemt de paarden bij de teugels. Ik blijk de enige van de groep te zijn. Mijn dagtas wordt op een paard gebonden, en vervolgens lopen we met de paarden de hoofdstraat uit. 'Eerst de straat uitlopen, want er is hier teveel verkeer' zegt de man. Ik vind het prima. Hoe meer uitstel van executie, hoe beter, denk ik. Het laatste dat ik wil is op een paard zitten dat op hol slaat doordat het schrikt van een idioot op een brommer.
Marr gebaart dat het tijd is om in het zadel te gaan. Terwijl ik kijk naar zijn uitleg, die hij met handgebaren doet, probeer ik me voor te stellen alsof ik op de fiets stap. Alleen, deze fiets is iets hoger. Met een flinke duw onder mijn kont helpt Marr me in het zadel en geeft me de teugels. Beelden van dikke dames die op gek wordende paarden zitten uit America's Funniest Homevideos schieten door mijn hoofd. 'Bespaar me deze vernedering alsjeblieft, lief paardje' fluister ik in het harige oor van het dier. Vervolgens krijg ik de slappe
lach, die zeker een kleine tien minuten duurt. Marr kijkt me niet begrijpend aan, en glimlacht maar wat. Rare toerist, zie ik hem denken. Wanneer we vervolgens de straat uitlopen en direct een bergpaadje in slaan begint mijn paard een soort hinkstapsprong te doen, waardoor ik stuiterend probeer in het zadel te blijven. Marr rijdt achter me, en het paard met de bagage loopt voorop. Ondertussen maakt hij geluidjes die klinken alsof er een horsel zijn keel is ingevlogen. De paarden lijken te begrijpen wat hij bedoelt, want ze reageren er op.
Het uitzicht wordt met de minuut beter, al ben ik er constant bedacht op dat het paard me uit het zadel werpt als ik probeer een foto te maken of te lang naar het uitzicht kijk. Geitjes eten de struiken kaal, we komen langs een paar graven, zien vossenhollen en komen af en toe een bewoner tegen. Een minuut of twintig later moeten we een beekje oversteken. Het beekje is bevroren. Ik zie al helemaal voor me hoe mijn paard uitglijdt op het ijs, mij meesleurt in zijn val en ik zwaargewond raak omdat het paard op mij valt. Alsof dat nog niet genoeg is wil mijn
paard rechtdoor in plaats van linksaf, recht op het breedste gedeelte van het stroompje af. Marr haalt nu alle keelklanken die hij in zich heeft van stal, en kijk, daar gaat mijn paard uiteindelijk toch linksaf.
Wanneer we de eerste berg zijn overgekomen, gebaart Marr mij af te stappen. Anders gaan de paarden te snel bergafwaarts en vallen ze, zo maakt hij duidelijk. Dat blijkt al snel. De paarden storten zich als stenen naar beneden en ik probeer wanhopig mijn camera te beschermen tegen al het stof dat ze veroorzaken. Beneden kom ik ze weer tegen, waar ze bij een beekje drinken. Aan het bruggetje hangen Tibetaanse gebedsvlaggetjes. Het water is kristalhelder smeltwater, en ijskoud. De paarden slurpen het gulzig op. Chinese paarden, dat blijkt maar weer.
Wanneer het bagagepaard vervolgens de verkeerde kant op loopt, wordt Marr kwaad. Hij pakt stenen en gooit het tegen het paard aan, zodat die weer terug komt naar het pad. Wanneer het eenmaal voor ons loopt wordt mijn paard jaloers en probeert het het bagagepaard te bijten. Daarop gaat het bagagepaard harder lopen, waardoor mijn paard ook harder gaat lopen. Mijn paard wil voorop lopen, net als het bagagepaard. Prima, maar
laat mij er buiten.
Zo verloopt de rest van de dag. Mijn paard doet af en toe een poging om voorop te raken, waarbij het het bagagepaard in de bil probeert te bijten. Marr maakt gorgelgeluiden om de paarden aanwijzingen te geven over welke richting in te slaan en ik probeer in het zadel te blijven. Ik ontwikkel een enorme hekel aan het bagagepaard. Niet alleen luistert het niet goed, loopt het constant voorop en doet het er alles aan om dat zo te houden, maar ook lijdt het aan een ernstige vorm van flatulentie. Elke keer dat we klimmen gaat de staart omhoog en kijk ik tegen een scheten latende paardenaars aan. Daar hadden ze me niet voor gewaarschuwd bij Sim's. Eerst kan ik er nog om lachen, net als Marr. Wanneer er ook nog om de twee uur stront uit komt krijg ik zin om het paard een trap van de berg af te geven. Met recht een stinkknol.
Ondertussen trekken we door een desolaat en droog landschap. Af en toe komen we iemand met een paar yaks tegen, of grazende yaks die ons dom aanstaren. Het oversteken van de bevroren beekjes blijft zenuwenwerk. Het ijs
is niet zo dik dat het een paard+berijder kan houden en dus zakken we er geregeld doorheen. Gelukkig is het nooit diep, en blijkt het paard ook zijn evenwicht te behouden op de keien in het water. Dat het schrikachtige dieren zijn, blijkt wanneer een groot stuk ijs krakend afbreekt. Zowel mijn paard als het bagagepaard schrikken onmiddelijk en maken een zijwaartse beweging.
Na zes uur rijden komen we in een dorpje aan, en stoppen bij een huis met twee honden die krankzinnig worden als ze me zien. Gelukkig zitten ze aan de ketting. De volgens de man van het guesthouse Tibetaanse bewoners van het huis zijn echter een stuk vriendelijker. Terwijl Marr de paarden ontzadeld en ze te eten geeft, word ik naar de woonkamer gedirigeerd en op de bank geposteerd. Ook binnen is het zo koud dat ik mijn jas aanhoudt, net als de bewoners zelf. Niet de tv is het middelpunt van de woonkamer (er is geen stroom), maar de oven. Complete bossen verdwijnen er in. Naast de oven liggen twee katten te genieten van de warmte.
De lunch blijkt hetzelfde als de avondmaaltijd; een deegachtig soort brood dat in een bouillon moet worden gedoopt,
afgewisseld met een soort zeewier en thee. Niet erg voedzaam, wel vullend. Ook de bewoners, gestoken in traditionele klederdracht, spreken geen woord Engels, al doet de schoonzoon een poging om me te leren tellen in het Tibetaans (ik kan tot 99 tellen in het Chinees, waardoor hij me hetzelfde probeert te leren in het Tibetaans). Marr blijkt wel degelijk Engels te spreken; drie woorden wel te verstaan. 'Horse', 'Baby' en 'Ice mountain'. Vier woorden? Nee, drie. Ice Mountain, de bestemming van de trekking, wordt uitgesproken als Icemountain.
Die avond ga ik om acht uur naar bed. Mijn kleren houd ik aan, zelfs al lig ik onder een stuk of vijf dierenhuiden. Wanneer hij een half uur later het bed naast me in klimt,, ben ik nog wakker vanwege de kou. Eenmaal genesteld onder de dekens laat hij een lange, knetterende scheet. 'Horse!' zeg ik in het donker, en beiden schateren we het uit. Hoe je met een woord elkaar toch weet te begrijpen. Wanneer Marr midden in de nacht naar het toilet moet, word ook ik wakker. Ik probeer weer in slaap te raken, wanneer hij terugkomt en ziet hij dat er een paar dekens van me af gevallen
zijn. Zachtjes legt hij ze terug op mij en stopt me voorzichtig in, voor zelf weer terug in bed te springen.
Twaalf uur later is er ontbijt in de vorm van de kliekjes van het avondeten. De katten miauwen dat ze ook wel wat lusten. Vegetarische katten, net als hun baasjes. De paarden worden weer bezadeld, en dan begint de grote klim naar Ice Mountain. Een bordje in het Tibetaans markeert het pad. Het is verbazendwekkend om te zien hoe steil een berg kan worden voordat je af moet stijgen omdat het paard het anders niet redt. Ice Mountain blijkt een doodstille, zonovergoten flank te zijn waar we even poseren voor een foto. Ik laat Marr ook met mijn camera in de weer. Leuk speelgoed, al sta je daardoor zelf nooit goed op de foto, maar meer is hij te spreken over mijn jas. Zelf loopt hij in een dun jasje waarvan een knoop mist en zo niet geheel dicht kan.
Na vijf uur zijn we weer terug bij de Tibetaanse familie. Opnieuw staat er een inmiddels bekend voedel op het menu. Met veel moeite krijg ik het door mijn strot, aangemoedigd door de familie. Ik neem wat
foto's van ze, waarbij met name de dochter het leuk vindt om te poseren. Ik schat haar een jaar of 19. Ze blijkt tien jaar ouder. Met dank aan mijn Chinese phraseboek kom ik er achter dat Marr 56 is, de paarden van hem zijn en hij in het dorpje naast Songpan woont. Dat ik de Dalai Lama een keer in het echt heb gezien maakt grote indruk op ze. Ook het feit dat ik constant met een kat op schoot zit vinden ze interessant.
De volgende dag eet ik een paar happen van het ontbijt, alvorens stiekem de rest aan de kat te voeren. Bij het afscheid worden er handen geschud en op schouders geklopt. Als dank willen ze me een steen van Ice Mountain cadeau geven, die ik natuurlijk niet kan weigeren. Ik geef hen een geheugenkaartje met een paar foto's van hun familieleden, en probeer ze duidelijk te maken dat ze er mee naar een fotowinkel in Songpan moeten gaan. Vervolgens bieden ze me de kat aan. Met veel moeite maak ik duidelijk dat ik de kat graag wil aannemen, maar dat ik 'm niet kan accepteren vanwege logistieke problemen. Vervolgens zwaaien ze ons uit, en
is het tijd om opnieuw de paarden te bestijgen.
Deze keer loopt de route anders. Wanneer we een groepje kinderen tegenkomen schrikt het bagagepaard, en daardoor ook mijn paard. Het neemt een duik door een stel bosjes en zet het op een lopen. Even dreig ik uit het zadel te worden gegooid, maar ik weet me vast te houden. Door aan de teugels te trekken stopt het paard. Triomfantelijk kijk ik achterom, waar ik Marr zie glimlachen. Misschien komt het nog wel eens goed met mij en paarden.
Onderweg komen we tal van houthakkers tegen, die de boomstronken door yaks naar een dorpje laten slepen. Het dorpje blijkt een Tibetaanse enclave, compleet met kloosters en tempels. Het blijft vreemd om de Chinese vlag op een Tibetaans klooster te zien wapperen, alsof ze het er nog even in willen peperen. Alsof het nooit anders is geweest.
Toch zijn de Tibetanen in dit dorpje nog niet zo slecht af. Toegegeven, elke Tibetaan die onder Chinese vlag leeft in plaats van onder de Tibetaanse is er een te veel, maar waar de Chinese overheid er alles aan doet om Tibet als natuurlijk onderdeel van China te doen voorkomen (zie bijvoorbeeld
het 50 yuan biljet, waar het Potala paleis op prijkt), bijvoorbeeld door Tibet Chinees te maken, daar leven deze mensen ver weg van China. Ze maken hun eigen klein-Tibet en hebben geen last van de bemoeizucht van patriotische, gehersenspoelde Chinezen die dit ongedaan proberen te maken. Hier eten we instantnoedelsoep als lunch, die me zelden zo goed gesmaakt heeft. Een uurtje later zijn we terug in Songpan. Terwijl ik hoop dat Marr duidelijk maakt dat we af kunnen stappen en de rest lopen, gaan we door de hoofdstraat terug naar het guesthouse. Ik zie het nog gebeuren dat in de laatste paar minuten ik alsnog uit het zadel wordt geworpen. Maar nee, alles gaat goed. Chinezen doen niet aan fooi, maar als dank geef ik hem mijn muts, handschoenen en kompas. Hij is er enorm blij mee, schudt mijn hand en blijft 'xiexie', Chinees voor dank u, zeggen. Vervolgens word ik naar het openbare badhuis verwezen, want er is nog altijd geen stroom en warm water in het guesthouse. Ik heb mijn eerste douche in vier dagen, een warme nog wel. Het is heerlijk.
De volgende ochtend vroeg gaat mijn bus naar Chengdu. De wekker staat op 5 uur.
Door de kou ben ik al een uur eerder wakker, en twintig minuten later ben ik klaar voor vertrek. Alleen blijkt dat ik ben ingesloten. Om half zes hoor ik een wekker afgaan en ik loop naar het geluid toe. Uit een kamertje komt de beheerster van het guesthouse uitgestrompeld, die een andere kamer binnenloopt waar iemand ligt te slapen en een sleutel tevoorschijn tovert. Daarmee loopt ze naar het hek. De sleutel krijgt ze er niet in, en vervolgens zie ik haar haar evenwicht verliezen. Ik, met backpack en dagtas op, vang haar op, zet haar op de grond neer en vraag of alles in orde is. Die is wel erg slaperig, denk ik nog. Terwijl ze weer opstaat doe ik met haar sleutel het hek open. Vervolgens draai ik me om om de sleutel terug te geven, en zie ik haar naar achteren vallen, recht op haar achterhoofd. Smak! Ze trilt wat met haar ogen en ademt wat moeilijk. Ik leg mijn tassen weg en kijk of alles in orde is. Ja, geen gat in haar hoofd, ze blijft ademen en kreunt wat. Nu pas heb ik door wat er aan de hand is; ze is compleet dronken.
Ik sleep haar onder de oksels terug naar haar kamer en sleur haar het bed in, met kleren aan en wel, om de dekens over haar heen te leggen en me snel naar de bus te begeven. Onderweg grinnik ik over deze gebeurtenis.
Om vervolgens een andere grappige situatie te zien; de busschauffeur die met een gasbrander de motor staat te ontdooien. Ik knipper even met de ogen om te zien of ik nou gek ben, maar nee. Wanneer we een paar uur later langs de kant van de weg stoppen, zie ik hem naar de rivier naast de weg rennen, gewapend met een emmer. Met een emmer water komt 'ie terug, en nu pas zie ik de rook die vanaf de bus komt. Met het water blust hij de motor, springt weer in de bus en hup, daar gaan we weer. In elk plaatsje wordt de brandslang te voorschijn gehaald om de motor af te koelen.
Eenmaal terug in Sims vraagt de receptioniste hoe ik het gehad heb. 'Tof' hoor ik mezelf zeggen, 'maar ik hoop nooit meer achter een ruftend paard aan te hoeven lopen'.
There are more photos below
Photos: 39
Displayed: 37
Advertisement
Jack Twist
non-member comment
Barebacking
Niet in een tentje geslapen? Mooie foto's!
From Blog: horrrrrrrrrrsebackriding